Aardrijkskunde

Aardrijkskunde in het pta

De eerste ronde van de aardrijkskunde olympiade wordt afgenomen in een sessie van 2,5 uur en bestaat uit open vragen en er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van bronnenmateriaal. Ook de actualiteit kan een plaats krijgen in de olympiade.

1. De relatie tussen de onderwerpen die in de aardrijkskunde olympiade aan de orde komen en het examenprogramma

In de olympiade komen tekens vier à vijf thema's aan de orde:

a. Verscheidenheid in de wereld en mondiale verdelingsvraagstukken, dat aansluit bij Subdomein B1

Subdomein B1: Gebieden op de grens van arm en rijk

De kandidaat kan de situatie in een nader door de school te kiezen gebied waar één of meer rijke landen en één of meer arme landen aan elkaar grenzen, beschrijven en analyseren. Het betreft:

  • economische, demografische en sociaal-culturele gebiedskenmerken en de relaties daartussen;
  • de (grensoverschrijdende) relaties tussen beide soorten landen en de gunstige en ongunstige effecten daarvan.

en mondiale verdelingsvraagstukken dat aansluit bij domein B2, maar verder gaat.

Subdomein B2: Samenhangen en verschillen in de wereld

De kandidaat kan ten aanzien van samenhangen en verschillen in de wereld:

  • mondiale spreidings- en relatiepatronen van economische, demografische en sociaal-culturele verschijnselen beschrijven en in hoofdlijnen verklaren;
  • het proces

van mondialisering beschrijven, herkennen en in hoofdlijnen verklaren.

b. De aarde als systeem, dat aansluit bij domein C1

Subdomein C1: Samenhangen en verschillen op regionaal niveau

De kandidaat kan voor een nader door de school te kiezen fysisch-geografische regio:

  • spreidingspatronen van natuurlijke en landschappelijke verschijnselen beschrijven;
  • relaties  leggen

tussen natuurlijke processen en landschappelijke verschijnselen.

en mondiale milieuvraagstukken dat aansluit bij domein C2, maar verder gaat

Subdomein C2: Samenhangen en verschillen op aarde

De kandidaat kan met betrekking tot samenhangen en verschillen op aarde:

  • natuurlijke verschijnselen aan het aardoppervlak en in de atmosfeer beschrijven, herkennen en verklaren, rekening houdend met verschillende tijd- en ruimteschalen;
  • de kenmerken

van de landschapszones op aarde en de veranderingen hierin beschrijven, analyseren en aan elkaar relateren.

c. een land of macro-regio: verstedelijking, migratie, milieu en/of politiek, dat aansluit bij domein D. Wel is de regionale context veel ruimer: deze kan betrekking hebben op elk land of elke regio

Domein D: Ontwikkelingsland

Subdomein D1: Gebiedskenmerken

De kandidaat kan gebiedskenmerken van een nader aan te wijzen ontwikkelingsland beschrijven en analyseren. Het betreft:

  • sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken van het betreffende ontwikkelingsland;
  • de sociaal-economische positie van het betreffende ontwikkelingsland in de macroregio én in de wereld.

Subdomein D2: Actuele vraagstukken

De kandidaat kan actuele vraagstukken in het in subdomein D1 bedoelde ontwikkelingsland beschrijven en analyseren. Het betreft:

  • vraagstukken van landdegradatie en milieuverontreiniging;
  • conflicten in het betreffende ontwikkelingsland die verband houden met de etnische en culturele diversiteit in het land.

d. Nationale  en regionale vraagstukken: waterbeheer in Nederland en landschappen, dat aansluit bij domein E1; waterbeheer overlapt grotendeels, maar het gata verder dan wat er staat over landschappen.

Subdomein E1: Nationale en regionale vraagstukken

De kandidaat kan zich een beargumenteerde mening vormen over:

  • actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland;
  • actuele

ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken van stedelijke gebieden in Nederland.

Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland.

e. Nationale  en regionale vraagstukken: verstedelijking, migratie en ruimtelijke ordening in Nederland, dat aansluit bij domein E1

Subdomein E1: Nationale en regionale vraagstukken

De kandidaat kan zich een beargumenteerde mening vormen over:

  • actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland;
  • actuele

ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken van stedelijke gebieden in Nederland.

Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland.

2. De olympiade krijgt een plaats in het pta van leerjaar:

 

havo 

O leerjaar 4
X  leerjaar 5

vwo

O leerjaar 4
X leerjaar 5
X leerjaar 6

3. Opties

Het nieuwe examenprogramma biedt voor de meeste vakken meer vrijheid dan in het verleden. Zo is inhoud, vorm en tijdstip van de toetsing is, binnen de kaders van de school, aan de sectie. Schoolkaders kunnen beperkingen opleggen aan de keuzevrijheid.  Bovendien zijn alle vormvoorschriften voor het schoolexamen verdwenen. Dat betekent dat secties naast toetsen met open en/of gesloten vragen bijvoorbeeld ook andere onderdelen deel kunnen laten uitmaken van het schoolexamen. Ook kan de sectie zelf bepalen of de leerlingen een praktische opdracht moeten maken en wat het onderwerp is. De weging van de diverse schoolexamens is niet meer vastgelegd en wordt overgelaten aan de sectie. Bovendien kan de sectie ervoor kiezen onderdelen te examineren die niet voor alle leerlingen hetzelfde zijn.

3.1 Alle leerlingen met aardrijkskunde in hun pakket doen mee aan de olympiade. Zij krijgen daarvoor een cijfer dat meetelt voor het SE. De docent bepaalt zelf (achteraf) welke opdrachten hij voor het schoolexamen meetelt en de normering. Als omschrijving van de toets kan gekozen worden voor een toets over aardrijkskundige vaardigheden. Het is de vraag of deze optie eerlijk is (met name voor de zwakkere leerlingen). De stof behoort immers niet per se tot het examenprogramma.

3.2 De leerlingen met aardrijkskunde in hun pakket bepalen zelf of zij aan de olympiade meedoen.De docent bepaalt zelf (achteraf) welke opdrachten hij voor het schoolexamen meetelt en de normering. De leerling bepaaalt of hij het cijfer wil laten meeetellen voor het schoolexamen.

3.3 Alle leerlingen doen mee aan de olympiade. De leerlingen werken de olympiade vervolgens, op basis van aanwijzingen van de docent, verder uit als verdiepingsopdracht die als praktische opdracht meetlelt.

3.4 Leerlingen die tot de eindronde doordringen kunnen de praktische opdrachten uit die eindronde laten meetellen als praktische opdracht bovenop of in plaats van een andere praktische opdracht.  

3.5 Alle leerlingen doe mee aan de olympiade. Bij een bepaalde score krijgen de leerlingen bonuspunten op een schoolexamen toets.

4. Voorbeeld opgave

Opgavenboekje voorronde Nationale Aardrijkskunde Olympiade 2009

De voorrronde van de aardrijkskunde olympiade bestaat uit vijf opgave, waarvoor in totaal 60 punten kunnen worden behaald.

1.       Het O-woord: Ontpolderen in Nederland?
2.       Het Z-woord: Zand erover? Het Scheldegebied en de Antwerpse haven
3.       Georgië en de spanningen in de Kaukasus
4.       Mondiale welvaartsverschillen, inzoomen op de Filipijnen
5.       Platentektoniek in Zuid-Amerika, Afrika en de Atlantische Oceaan

De leerlingen gebruiken bij het maken van de opdrachten gebruik van de 52e of de 53e editie van De Grote Bosatlas en het bijgeleverde bronnenboekje.

Als voorbeeld volgt hier opdracht 1.

Het O-woord: Ontpolderen in Nederland

Gebruik de bronnen bij A en B in het Bronnenboekje en de overzichtskaart van Zuid-Nederland.

In het gedicht (zie bron 2) wordt een sfeerbeeld van de Schelde gegeven. Uit het gedicht blijkt dat een estuarium steeds verandert en dat er verschillende krachten en belangen in het gebied spelen. Het gaat in het rapport van de commissie Nijpels (zie bron 1) vooral om twee belangen die kunnen botsen. Ten eerste het Scheldeverdrag waarin Nederland zich verplicht heeft de vrije vaart naar Antwerpen te waarborgen. En ten tweede het verdrag in EU-verband om het leefgebied en de soortenrijkdom van vogels en planten te beschermen.

Het estuariumgebied van de Westerschelde bestaat uit platen en geulen (in de Westerschelde) en buitendijks gelegen schorren en slikken (langs de Westerschelde). Platen en slikken zijn niet of nauwelijks begroeid en vallen bij laagwater droog. Schorren liggen hoger, zijn meer begroeid en lopen alleen bij springvloed onder. Zie ook de foto onder het gedicht ‘Schelde’ in bron 2.

1a (1p) Geef een oorzaak voor de grote soortenrijkdom aan planten en dieren in een estuariumgebied als de Westerschelde.

1b (2p) Beredeneer dat het uitdiepen van de Westerschelde voor de scheepvaart tot een forse afname van het aantal vogels(oorten) in het estuariumgebied zal kunnen leiden. De Zeeuwse milieufederatie is voorstander van het plan om de Hedwigepolder onder water te laten lopen. Ontpoldering van Hedwige kan zelfs leiden tot een versterking en vergroting van een bestaand Zeeuws natuurgebied.

2 (1p) Welk bestaand natuurgebied is dat? Veel oudere Zeeuwen die de watersnoodramp hebben meegemaakt, zijn tegen ontpoldering van Hedwige.

3 (1p) Welke Zeeuwse beroepsgroep zal ook veel bezwaren tegen ontpoldering hebben? De commissie Nijpels stelt dat onteigening van de Hedwigepolder gemakkelijk is omdat er maar één eigenaar is, namelijk een Belgische baggeraar. Aan de Belgische kant wordt de Prosperpolder aangewezen voor ontpoldering. Vergelijk de gebiedskenmerken van de Hedwigepolder met die van de Prosperpolder.

4a (1p) Waarom zou de commissie Nijpels de Hedwigepolder meer geschikt vinden om te ontpolderen dan de Prosperpolder? Nijpels gaat in zijn adviesrapport, naast het belang van de scheepvaart en de natuur, ook in op het belang van de veiligheid. Gelet op ontwikkelingen op mondiale schaal heeft ontpoldering van de Hedwigepolder volgens hem ook een positief gevolg voor de veiligheid van de inwoners in het Scheldegebied.

4b (2p) Beargumenteer dat de voorgestelde ontpoldering kan leiden tot meer veiligheid voor de inwoners van het Scheldegebied. Naast de Hedwigepolder stelt de commissie Nijpels nog een ander estuariumgebied in Nederland voor om de natuur te herstellen als compensatie voor het uitdiepen van de vaargeul naar Antwerpen. Dit gebied ligt in het noorden van Nederland.

5 (2p) Om welk estuariumgebied gaat het hier? Geef ook aan op welke manier hier natuurherstel kan plaatsvinden.

Bron 1 krantenbericht, de Volkskrant 21-10-2008

bron 2: Het gedicht ‘Schelde’ van Jantine Dijkstra, uit het rapport ‘Wennen aan de Westerschelde’ van de commissie Natuurherstel Westerschelde met als voorzitter oud-minister Ed Nijpels 

Schelde

Het land draagt de rivier
die schepen varen laat
bij bochten voegt de mens zich
naar zijn maat
en groet hem hier.
De klei boetseerde polders
met hun dijken
op wind en mensen dwars
slikken ze schor hun woorden in.
De zee zet aan
brengt zout en water in
bevrucht zo graag.
Golven strijken over lengten
bressen lessen dorst.
Wat onder water ligt is niet weg
liefde duurt daar voort.

Jantine Dijkstra

De Schelde: slikken of stikken?

Meer voorbeelden vindt u op: http://www.aardrijkskunde-olympiade.nl/archief.html