Biologie

Biologie in het pta

wi1.jpg

1. De relatie tussen de onderwerpen die in de biologie olympiade aan de orde komen en het examenprogramma

De voorronde van de biologie olympiade sluit aardig goed aan op het examenprogramma biologie.

Domein B: Structuren van ecosystemen, organismen en cellen
Subdomein B1: Structuren van ecosystemen
De kandidaat kan de betekenis en onderlinge wisselwerking van abiotische en biotische factoren, waardoor de diversiteit tussen en binnen ecosystemen wordt bepaald, aangeven en uitleggen.

Subdomein B2: Structuren van cellen
De kandidaat kan cellen en delen van cellen herkennen en de functies benoemen, en daarbij de relatie leggen met hogere en lagere organisatieniveaus.

Domein C: Levenscyclus en erfelijke informatie
Subdomein C1: Erfelijkheid
De kandidaat kan erfelijkheid op organismeniveau verklaren door het beschrijven van erfelijkheidsprocessen op lagere organisatieniveaus en kan het ingrijpen door de mens in erfelijkheidsprocessen bediscussiëren.

Subdomein C2: Levenscyclus van de mens
De kandidaat kent de feiten van de menselijke voortplanting en ontwikkeling en de hormonale regeling hiervan, kent de methoden van anticonceptie, en kan een beargumenteerde mening geven over de betekenis van seksualiteit op biologisch, medisch, maatschappelijk en persoonlijk vlak.

Subdomein C3: Levenscyclus van cellen
De kandidaat kent de celcyclus en de invloeden uit het interne en externe milieu op de celcyclus, en kan daarbij een relatie leggen met andere organisatieniveaus.

Domein D: Metabolisme
Subdomein D1: Energiestromen en kringlopen
De kandidaat kan energiestromen en kringlopen van stoffen in een ecosysteem beschrijven, en kan aangeven welke factoren daarop van invloed zijn en wat oorzaken en gevolgen zijn van verstoring.

Subdomein D2: Metabolisme van planten
De kandidaat kan aangeven hoe organen, weefsels en cellen van planten betrokken zijn bij opname, verwerking, transport en opslag van stoffen, en factoren bespreken die daarop van invloed zijn.

Subdomein D3: Metabolisme van de mens
De kandidaat kan aangeven hoe organen, weefsels en cellen van de mens betrokken zijn bij opname, verwerking, transport, opslag en uitscheiding van stoffen, heeft inzicht in de moleculaire processen die daarbij een rol spelen en kan factoren bespreken die hierop van invloed kunnen zijn.

Subdomein D4: Celprocessen
De kandidaat kan verschillende celprocessen, onder andere assimilatie- en dissimilatieprocessen, onderscheiden en in verband brengen met verschillende organisatieniveaus, en aangeven welke factoren daarop van invloed zijn.

Subdomein D5: Eiwitsynthese en biotechnologie
De kandidaat kan uitleggen hoe onder andere DNA en RNA betrokken zijn bij de eiwitsynthese, heeft inzicht in de werking van enzymen en factoren die enzymwerking beïnvloeden en kan een relatie leggen tussen deze processen en erfelijkheid.

Domein E: Dynamiek en homeostase
Subdomein E1: Dynamiek in ecosystemen
De kandidaat kan uitleggen hoe ecosystemen zich kunnen handhaven en ontwikkelen, en welke verstoringen daarbij kunnen plaatsvinden.

Subdomein E2: Ontstaan en handhaving van verscheidenheid
De kandidaat kan de betekenis van verscheidenheid in een populatie, onder andere op genniveau, aangeven, en opvattingen weergeven over het ontstaan daarvan.

Subdomein E3: Ethologie
De kandidaat heeft inzicht in de organisatie, ontwikkeling en functie van gedrag, en kent methoden die bij gedragsonderzoek gebruikt worden.

Subdomein E4: Homeostase bij de mens
De kandidaat kan uitleggen hoe zintuigen, spieren en klieren, zenuwstelsel en hormoonstelsel betrokken zijn bij het functioneren van het lichaam -aangepast aan de omgeving- en daarbij verbanden leggen tussen de verschillende organisatieniveaus.

Subdomein E5: Bescherming van het interne milieu
De kandidaat kan uitleggen hoe de huid en het immuunsysteem bijdragen aan het handhaven van het dynamisch evenwicht in het inwendig milieu.

2. De olympiade krijgt een plaats in het pta van leerjaar:

havo

O leerjaar 4
O leerjaar 5

vwo

O leerjaar 4
X leerjaar 5
X leerjaar 6

3. Opties

Het nieuwe examenprogramma biedt voor de meeste vakken meer vrijheid dan in het verleden. Zo is inhoud, vorm en tijdstip van de toetsing is, binnen de kaders van de school, aan de sectie. Schoolkaders kunnen beperkingen opleggen aan de keuzevrijheid.  Bovendien zijn alle vormvoorschriften voor het schoolexamen verdwenen. Dat betekent dat secties naast toetsen met open en/of gesloten vragen bijvoorbeeld ook andere onderdelen deel kunnen laten uitmaken van het schoolexamen. Ook kan de sectie zelf bepalen of de leerlingen een praktische opdracht moeten maken en wat het onderwerp is. De weging van de diverse schoolexamens is niet meer vastgelegd en wordt overgelaten aan de sectie. Bovendien kan de sectie ervoor kiezen onderdelen te examineren die niet voor alle leerlingen hetzelfde zijn.

Als u  de olympiade wilt opnemen in het PTA zijn er verschillende mogelijkheden:

3.1 Alle leerlingen met biologie in het pakket doen mee aan de olympiade. Zij krijgen daarvoor een cijfer dat meetelt voor het SE. De docent bepaalt zelf (achteraf) welke opdrachten hij voor het schoolexamen meetelt en de normering. Het is de vraag of deze optie eerlijk is (met name voor de zwakkere leerlingen). De stof behoort immers niet per se tot het examenprogramma.

3.2 Alle leerlingen met biologie in hun pakket doen mee aan de olympiade. De docent bepaalt zelf (achteraf) welke opdrachten hij voor het schoolexamen meetelt en de normering. De leerling bepaalt of hij het cijfer wil laten meetellen voor het schoolexamen.
Nadeel van deze optie is dat leerlingen mogelijk minder gemotiveerd deelnemen.

3.3 Leerlingen met biologie in hun pakket bepalen zelf of zij aan de olympiade meedoen. De docent bepaalt zelf (achteraf) welke opdrachten hij voor het schoolexamen meetelt en de normering. De leerling bepaalt of hij het cijfer wil laten meetellen voor het schoolexamen.

3.2 Alle leerlingen doe mee aan de olympiade. Bij een bepaalde score krijgen de leerlingen bonuspunten op een schoolexamen toets.

4. voorbeeld opgave

Opgaven Voorronde biologie olympiade 2009

Eikelmuis

De eikelmuis is in de Rode Lijst van 2006 als ernstig bedreigd opgenomen. Er is op zeer korte termijn actie noodzakelijk om de eikelmuizen voor uitsterven in Nederland te behoeden. Wetenschappers pleiten voor het behoud en uitbreiding van kleine landschapselementen. Dat zijn o.a. boomgaarden, volkstuintjes en soortenrijke bosranden. De eikelmuizen worden door hun leefwijze in deze landschapselementen ook wel ‘fruitdiefjes’ genoemd. Eikelmuizen zijn kwetsbaar door het feit dat de dieren zeven maanden per jaar grotendeels slapend doorbrengen. Naast de effecten van de grootschalige ruiverkaveling vanaf 1979 zijn ook de zachte winters een oorzaak van het bijna uitsterven van de eikelmuis in Zuid-Limburg.

bio1.jpg 

eikelmuis

Over de zachte winters als oorzaak van het bijna uitsterven van de eikelmuis in Nederland worden vier uitspraken gedaan.

2p 1 􀂄 Welke uitspaak is juist?

A daardoor is er in de winter te weinig voedsel voorhanden voor de eikelmuis

B daardoor wordt de enzymactiviteit in het lichaam van de eikelmuis ontregeld

C daardoor is de vetopslag in de muis verstoord

D daardoor wordt de winterslaap van de eikelmuis ontregeld


Ganzen

Bij de ganzenfokkerij wordt een bepaald voedingsmengsel gebruikt dat alle noodzakelijke voedingsstoffen bevat voor een optimale groei van de ganzen. In een onderzoek volgde men die

groei door ganzen dit voedingsmiddel toe te dienen en hen regelmatig te wegen. Tegelijkertijd werd steeds de totale hoeveelheid opgenomen voedingsmengsel gemeten. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in de tabel. De energie-inhoud van een gans is gemiddeld 800 kJ/100 g gans.

bio2.jpg

leeftijd (dagen)

gemiddeld gewicht per gans (gram)

gemiddelde totale voedselopname per gans (kJ)

0

250

-

9

650

12179

12

1000

22143

19

1650

42071

25

2500

66429

34

3600

110714

45

4800

158883

Slechts een deel van het voedsel wordt gebruikt voor de gewichtstoename. Dat geldt voor zowel jonge als volwassen ganzen. Drie mogelijke oorzaken hiervan bij volwassen vrouwtjes zijn:

1. de ganzen verbranden een deel.
2. de ganzen poepen een onverteerd deel uit.
3. de ganzen benutten een deel bij de vorming van eieren

3p 2 􀂆 Geef van ieder op je antwoordenblad aan of het een juiste oorzaak is (omcirkel +) of niet (omcirkel –).

3p 3 􀂆 Hoeveel % van het opgenomen voedsel wordt in de periode van dag 9 tot dag 12 omgezet in gewicht van de ganzen? Geef je antwoord afgerond op één decimaal.